AfrikaansEdit

EtymologyEdit

From Dutch vroeg, from Middle Dutch vroech, extended form of vroe, from Old Dutch fruo (early), from Proto-Germanic *frōwaz, *frōwijaz (early), from Proto-Indo-European *proh₁- (early).

AdjectiveEdit

vroeg (attributive vroeë, comparative vroeër, superlative vroegste)

  1. early

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vrux/
  • (file)
  • Rhymes: -ux

Etymology 1Edit

From Middle Dutch vroech, extended form of vroe, from Old Dutch fruo (early), from Proto-Germanic *frōwaz, *frōwijaz (early), from Proto-Indo-European *proh₁- (early).

AdjectiveEdit

vroeg (comparative vroeger, superlative vroegst)

  1. early
    Antonym: laat
InflectionEdit
Inflection of vroeg
uninflected vroeg
inflected vroege
comparative vroeger
positive comparative superlative
predicative/adverbial vroeg vroeger het vroegst
het vroegste
indefinite m./f. sing. vroege vroegere vroegste
n. sing. vroeg vroeger vroegste
plural vroege vroegere vroegste
definite vroege vroegere vroegste
partitive vroegs vroegers
Derived termsEdit
DescendantsEdit
  • Berbice Creole Dutch: fruku
  • Javindo: froeg
  • Negerhollands: vroe, fru, vrue

Etymology 2Edit

See the etymology of the corresponding lemma form.

VerbEdit

vroeg

  1. singular past indicative of vragen

AnagramsEdit