aankondigen

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

aankondigen ‎(past singular kondigde aan, past participle aangekondigd)

  1. to announce

ConjugationEdit

Inflection of aankondigen (weak, separable)
infinitive aankondigen
past singular kondigde aan
past participle aangekondigd
infinitive aankondigen
gerund aankondigen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kondig aan kondigde aan aankondig aankondigde
2nd person sing. (jij) kondigt aan kondigde aan aankondigt aankondigde
2nd person sing. (u) kondigt aan kondigde aan aankondigt aankondigde
2nd person sing. (gij) kondigt aan kondigde aan aankondigt aankondigde
3rd person singular kondigt aan kondigde aan aankondigt aankondigde
plural kondigen aan kondigden aan aankondigen aankondigden
subjunctive sing.1 kondige aan kondigde aan aankondige aankondigde
subjunctive plur.1 kondigen aan kondigden aan aankondigen aankondigden
imperative sing. kondig aan
imperative plur.1 kondigt aan
participles aankondigend aangekondigd
1) Archaic.

SynonymsEdit

Related termsEdit

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language