aanstormen

DutchEdit

EtymologyEdit

From aan +‎ stormen

PronunciationEdit

VerbEdit

aanstormen ‎(past singular stormde aan, past participle aangestormd)

  1. to approach quickly, to go straight towards (someone) with great speed
    Na de wedstrijd kwam zij op mij aangestormd. - She quickly came up to me after the match.

ConjugationEdit

Inflection of aanstormen (weak, separable)
infinitive aanstormen
past singular stormde aan
past participle aangestormd
infinitive aanstormen
gerund aanstormen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular storm aan stormde aan aanstorm aanstormde
2nd person sing. (jij) stormt aan stormde aan aanstormt aanstormde
2nd person sing. (u) stormt aan stormde aan aanstormt aanstormde
2nd person sing. (gij) stormt aan stormde aan aanstormt aanstormde
3rd person singular stormt aan stormde aan aanstormt aanstormde
plural stormen aan stormden aan aanstormen aanstormden
subjunctive sing.1 storme aan stormde aan aanstorme aanstormde
subjunctive plur.1 stormen aan stormden aan aanstormen aanstormden
imperative sing. storm aan
imperative plur.1 stormt aan
participles aanstormend aangestormd
1) Archaic.
Read in another language