Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch beheren. Equivalent to be- +‎ heer +‎ -en.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈɦeːrə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧he‧ren
  • Rhymes: -eːrən

VerbEdit

beheren

  1. (transitive) to manage, administer

InflectionEdit

Inflection of beheren (weak, prefixed)
infinitive beheren
past singular beheerde
past participle beheerd
infinitive beheren
gerund beheren n
present tense past tense
1st person singular beheer beheerde
2nd person sing. (jij) beheert beheerde
2nd person sing. (u) beheert beheerde
2nd person sing. (gij) beheert beheerde
3rd person singular beheert beheerde
plural beheren beheerden
subjunctive sing.1 behere beheerde
subjunctive plur.1 beheren beheerden
imperative sing. beheer
imperative plur.1 beheert
participles beherend beheerd
1) Archaic.

Derived termsEdit