beheren

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From be- +‎ heer, analogous to English to lord over.

PronunciationEdit

VerbEdit

beheren ‎(past singular beheerde, past participle beheerd)

  1. to manage, administer

ConjugationEdit

Inflection of beheren (weak, prefixed)
infinitive beheren
past singular beheerde
past participle beheerd
infinitive beheren
gerund beheren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beheer beheerde
2nd person sing. (jij) beheert beheerde
2nd person sing. (u) beheert beheerde
2nd person sing. (gij) beheert beheerde
3rd person singular beheert beheerde
plural beheren beheerden
subjunctive sing.1 behere beheerde
subjunctive plur.1 beheren beheerden
imperative sing. beheer
imperative plur.1 beheert
participles beherend beheerd
1) Archaic.

Related termsEdit

Read in another language