bemoedigen

DutchEdit

EtymologyEdit

From be- +‎ moed +‎ -igen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈmudəɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧moe‧di‧gen
  • Rhymes: -udəɣən

VerbEdit

bemoedigen

  1. (transitive) to encourage

InflectionEdit

Inflection of bemoedigen (weak, prefixed)
infinitive bemoedigen
past singular bemoedigde
past participle bemoedigd
infinitive bemoedigen
gerund bemoedigen n
present tense past tense
1st person singular bemoedig bemoedigde
2nd person sing. (jij) bemoedigt bemoedigde
2nd person sing. (u) bemoedigt bemoedigde
2nd person sing. (gij) bemoedigt bemoedigde
3rd person singular bemoedigt bemoedigde
plural bemoedigen bemoedigden
subjunctive sing.1 bemoedige bemoedigde
subjunctive plur.1 bemoedigen bemoedigden
imperative sing. bemoedig
imperative plur.1 bemoedigt
participles bemoedigend bemoedigd
1) Archaic.

Derived termsEdit