beveiligen

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

beveiligen ‎(past singular beveiligde, past participle beveiligd)

  1. to protect

ConjugationEdit

Inflection of beveiligen (weak, prefixed)
infinitive beveiligen
past singular beveiligde
past participle beveiligd
infinitive beveiligen
gerund beveiligen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beveilig beveiligde
2nd person sing. (jij) beveiligt beveiligde
2nd person sing. (u) beveiligt beveiligde
2nd person sing. (gij) beveiligt beveiligde
3rd person singular beveiligt beveiligde
plural beveiligen beveiligden
subjunctive sing.1 beveilige beveiligde
subjunctive plur.1 beveiligen beveiligden
imperative sing. beveilig
imperative plur.1 beveiligt
participles beveiligend beveiligd
1) Archaic.

Related termsEdit

Read in another language