bevochtigen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From be- +‎ vochtig +‎ -en

PronunciationEdit

VerbEdit

bevochtigen ‎(past singular bevochtigde, past participle bevochtigd)

  1. to wet, to dampen
  2. to moisturize

ConjugationEdit

Inflection of bevochtigen (weak, prefixed)
infinitive bevochtigen
past singular bevochtigde
past participle bevochtigd
infinitive bevochtigen
gerund bevochtigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bevochtig bevochtigde
2nd person sing. (jij) bevochtigt bevochtigde
2nd person sing. (u) bevochtigt bevochtigde
2nd person sing. (gij) bevochtigt bevochtigde
3rd person singular bevochtigt bevochtigde
plural bevochtigen bevochtigden
subjunctive sing.1 bevochtige bevochtigde
subjunctive plur.1 bevochtigen bevochtigden
imperative sing. bevochtig
imperative plur.1 bevochtigt
participles bevochtigend bevochtigd
1) Archaic.
Read in another language