Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch corrigeren, from Old French corriger.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /kɔriˈʒeːrə(n)/, /kɔriˈɣeːrə(n)/
  • (file)

VerbEdit

corrigeren

  1. (transitive) to correct (to make something that was not valid become right)

InflectionEdit

Inflection of corrigeren (weak)
infinitive corrigeren
past singular corrigeerde
past participle gecorrigeerd
infinitive corrigeren
gerund corrigeren n
present tense past tense
1st person singular corrigeer corrigeerde
2nd person sing. (jij) corrigeert corrigeerde
2nd person sing. (u) corrigeert corrigeerde
2nd person sing. (gij) corrigeert corrigeerde
3rd person singular corrigeert corrigeerde
plural corrigeren corrigeerden
subjunctive sing.1 corrigere corrigeerde
subjunctive plur.1 corrigeren corrigeerden
imperative sing. corrigeer
imperative plur.1 corrigeert
participles corrigerend gecorrigeerd
1) Archaic.

Related termsEdit