deemoedigen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From deemoed ‎(humbleness)

VerbEdit

deemoedigen ‎(past singular deemoedigde, past participle gedeemoedigd)

  1. (transitive) To humble

Usage notesEdit

This verb has a positive connotation, unlike vernederen ‎(to humilate), verlagen ‎(to lower, to bring down) and humiliëren ‎(to humilate).

ConjugationEdit

Inflection of deemoedigen (weak)
infinitive deemoedigen
past singular deemoedigde
past participle gedeemoedigd
infinitive deemoedigen
gerund deemoedigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular deemoedig deemoedigde
2nd person sing. (jij) deemoedigt deemoedigde
2nd person sing. (u) deemoedigt deemoedigde
2nd person sing. (gij) deemoedigt deemoedigde
3rd person singular deemoedigt deemoedigde
plural deemoedigen deemoedigden
subjunctive sing.1 deemoedige deemoedigde
subjunctive plur.1 deemoedigen deemoedigden
imperative sing. deemoedig
imperative plur.1 deemoedigt
participles deemoedigend gedeemoedigd
1) Archaic.
Read in another language