Dutch

edit

Etymology

edit

From her- +‎ krijgen.

Pronunciation

edit
  • IPA(key): /ɦɛrˈkrɛi̯ɣə(n)/
  • Audio:(file)
  • Rhymes: -ɛi̯ɣən

Verb

edit

herkrijgen

  1. to regain, to recover possession of

Inflection

edit
Conjugation of herkrijgen (strong class 1, prefixed)
infinitive herkrijgen
past singular herkreeg
past participle herkregen
infinitive herkrijgen
gerund herkrijgen n
present tense past tense
1st person singular herkrijg herkreeg
2nd person sing. (jij) herkrijgt herkreeg
2nd person sing. (u) herkrijgt herkreeg
2nd person sing. (gij) herkrijgt herkreegt
3rd person singular herkrijgt herkreeg
plural herkrijgen herkregen
subjunctive sing.1 herkrijge herkrege
subjunctive plur.1 herkrijgen herkregen
imperative sing. herkrijg
imperative plur.1 herkrijgt
participles herkrijgend herkregen
1) Archaic.