Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch crigen. Equivalent to krijg +‎ -en.

VerbEdit

krijgen

  1. (transitive) to get, to receive, to come into possession of (anything ranging from concrete to abstract inputs such as news, gift, punishment, et cetera)
    Ze heeft van haar familie een huwelijkskado gekregen.
    She received a wedding gift from her family.
    Synonym: bekomen
  2. (transitive) to get, to be presented with
    Ik heb geprobeerd mijn televisie aan te sluiten, maar ik krijg alleen sneeuw.
    I tried to connect up my television, but I only get static.
  3. (copulative) to get, to (manage to) cause to become
    Ik krijg mijn auto niet gestart!
    I can't get my car started!
  4. (auxiliary) Used to form a passive sentence with a ditransitive verb, with the original indirect object becoming the subject of krijgen.
    Hij kreeg een prijs uitgereikt.
    He was given a prize.
  5. (transitive) to catch (a disease), to become ill with
    Ik heb een verkoudheid gekregen.
    I've caught a cold.
    Krijg de tering!
    Literally "Catch tuberculosis", but more similar in force to "fuck you".
InflectionEdit
Inflection of krijgen (strong class 1)
infinitive krijgen
past singular kreeg
past participle gekregen
infinitive krijgen
gerund krijgen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular krijg kreeg
2nd person sing. (jij) krijgt kreeg
2nd person sing. (u) krijgt kreeg
2nd person sing. (gij) krijgt kreegt
3rd person singular krijgt kreeg
plural krijgen kregen
subjunctive sing.1 krijge krege
subjunctive plur.1 krijgen kregen
imperative sing. krijg
imperative plur.1 krijgt
participles krijgend gekregen
1) Archaic.
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

See etymology on the main entry.

NounEdit

krijgen

  1. Plural form of krijg