herroepen

DutchEdit

EtymologyEdit

From her- +‎ roepen.

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -upən

VerbEdit

herroepen

  1. to retract, to take back what was said
    Synonym: terugnemen
  2. to revoke, to cancel
    Synonym: annuleren

InflectionEdit

Inflection of herroepen (strong class 7, prefixed)
infinitive herroepen
past singular herriep
past participle herroepen
infinitive herroepen
gerund herroepen n
present tense past tense
1st person singular herroep herriep
2nd person sing. (jij) herroept herriep
2nd person sing. (u) herroept herriep
2nd person sing. (gij) herroept herriept
3rd person singular herroept herriep
plural herroepen herriepen
subjunctive sing.1 herroepe herriepe
subjunctive plur.1 herroepen herriepen
imperative sing. herroep
imperative plur.1 herroept
participles herroepend herroepen
1) Archaic.