kleineren

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

kleineren ‎(past singular kleineerde, past participle gekleineerd)

  1. belittle, disparage

ConjugationEdit

Inflection of kleineren (weak)
infinitive kleineren
past singular kleineerde
past participle gekleineerd
infinitive kleineren
gerund kleineren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular kleineer kleineerde
2nd person sing. (jij) kleineert kleineerde
2nd person sing. (u) kleineert kleineerde
2nd person sing. (gij) kleineert kleineerde
3rd person singular kleineert kleineerde
plural kleineren kleineerden
subjunctive sing.1 kleinere kleineerde
subjunctive plur.1 kleineren kleineerden
imperative sing. kleineer
imperative plur.1 kleineert
participles kleinerend gekleineerd
1) Archaic.

Related termsEdit


GermanEdit

AdjectiveEdit

kleineren

  1. inflected form of klein
Read in another language