neerleggen

DutchEdit

EtymologyEdit

neer +‎ leggen

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

neerleggen

  1. to lay down
  2. (reflexive, + bij) to resign oneself (to)
    Al vroeg in de wedstrijd leek de voormalige kampioen zich te hebben neergelegd bij de nederlaag.
    Early on the match the former champion seemed to have resigned himself/herself to defeat.
    Synonym: berusten (in)

InflectionEdit

Inflection of neerleggen (weak, separable)
infinitive neerleggen
past singular legde neer
past participle neergelegd
infinitive neerleggen
gerund neerleggen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leg neer legde neer neerleg neerlegde
2nd person sing. (jij) legt neer legde neer neerlegt neerlegde
2nd person sing. (u) legt neer legde neer neerlegt neerlegde
2nd person sing. (gij) legt neer legde neer neerlegt neerlegde
3rd person singular legt neer legde neer neerlegt neerlegde
plural leggen neer legden neer neerleggen neerlegden
subjunctive sing.1 legge neer legde neer neerlegge neerlegde
subjunctive plur.1 leggen neer legden neer neerleggen neerlegden
imperative sing. leg neer
imperative plur.1 legt neer
participles neerleggend neergelegd
1) Archaic.

AnagramsEdit