Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch ontdecken. Equivalent to ont- +‎ dekken.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɔnˈdɛ.kən/
  • (file)
  • Hyphenation: ont‧dek‧ken
  • Rhymes: -ɛkən

VerbEdit

ontdekken

  1. to discover
    Columbus heeft Amerika ontdekt.Columbus discovered America.

InflectionEdit

Inflection of ontdekken (weak, prefixed)
infinitive ontdekken
past singular ontdekte
past participle ontdekt
infinitive ontdekken
gerund ontdekken n
present tense past tense
1st person singular ontdek ontdekte
2nd person sing. (jij) ontdekt ontdekte
2nd person sing. (u) ontdekt ontdekte
2nd person sing. (gij) ontdekt ontdekte
3rd person singular ontdekt ontdekte
plural ontdekken ontdekten
subjunctive sing.1 ontdekke ontdekte
subjunctive plur.1 ontdekken ontdekten
imperative sing. ontdek
imperative plur.1 ontdekt
participles ontdekkend ontdekt
1) Archaic.

Derived termsEdit