Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- +‎ waren.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɔntˈʋaːrə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -aːrən

VerbEdit

ontwaren

  1. (transitive) to discern, perceive

InflectionEdit

Inflection of ontwaren (weak, prefixed)
infinitive ontwaren
past singular ontwaarde
past participle ontwaard
infinitive ontwaren
gerund ontwaren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontwaar ontwaarde
2nd person sing. (jij) ontwaart ontwaarde
2nd person sing. (u) ontwaart ontwaarde
2nd person sing. (gij) ontwaart ontwaarde
3rd person singular ontwaart ontwaarde
plural ontwaren ontwaarden
subjunctive sing.1 ontware ontwaarde
subjunctive plur.1 ontwaren ontwaarden
imperative sing. ontwaar
imperative plur.1 ontwaart
participles ontwarend ontwaard
1) Archaic.