Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From op (up) + zetten (set).

PronunciationEdit

VerbEdit

opzetten

  1. to set up, install
    Er wordt een fokprogramma opgezet om de quagga weer zuiver uit de gemengde steppezebra te krijgen.[1] — A breeding program has been set up for the purpose of recovering the quagga in pure form from the mixed plains zebra.
  2. to put on
    Ik heb een masker opgezet... — I have put on a mask... (Marco Borsato – Wereld Zonder Jou)
  3. to stuff (an animal)

InflectionEdit

Inflection of opzetten (weak, separable)
infinitive opzetten
past singular zette op
past participle opgezet
infinitive opzetten
gerund opzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet op zette op opzet opzette
2nd person sing. (jij) zet op zette op opzet opzette
2nd person sing. (u) zet op zette op opzet opzette
2nd person sing. (gij) zet op zette op opzet opzette
3rd person singular zet op zette op opzet opzette
plural zetten op zetten op opzetten opzetten
subjunctive sing.1 zette op zette op opzette opzette
subjunctive plur.1 zetten op zetten op opzetten opzetten
imperative sing. zet op
imperative plur.1 zet op
participles opzettend opgezet
1) Archaic.

AnagramsEdit