roteren

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

roteren ‎(past singular roteerde, past participle geroteerd)

  1. to rotate

ConjugationEdit

Inflection of roteren (weak)
infinitive roteren
past singular roteerde
past participle geroteerd
infinitive roteren
gerund roteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular roteer roteerde
2nd person sing. (jij) roteert roteerde
2nd person sing. (u) roteert roteerde
2nd person sing. (gij) roteert roteerde
3rd person singular roteert roteerde
plural roteren roteerden
subjunctive sing.1 rotere roteerde
subjunctive plur.1 roteren roteerden
imperative sing. roteer
imperative plur.1 roteert
participles roterend geroteerd
1) Archaic.

GermanEdit

Read in another language