Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch schoonmaken, equivalent to schoon (clean) +‎ maken (to make).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈsxoː(n)ˌmaː.kə(n)/, (Netherlands) [ˈsxoʊ̯(n)ˌmaː.kə(n)]
  • (file)
  • Hyphenation: schoon‧ma‧ken

VerbEdit

schoonmaken

  1. to clean
    Vandaag maakt Stefan zijn huis schoon.
    Today, Stefan is cleaning his house.

InflectionEdit

Inflection of schoonmaken (weak, separable)
infinitive schoonmaken
past singular maakte schoon
past participle schoongemaakt
infinitive schoonmaken
gerund schoonmaken n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak schoon maakte schoon schoonmaak schoonmaakte
2nd person sing. (jij) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
2nd person sing. (u) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
2nd person sing. (gij) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
3rd person singular maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
plural maken schoon maakten schoon schoonmaken schoonmaakten
subjunctive sing.1 make schoon maakte schoon schoonmake schoonmaakte
subjunctive plur.1 maken schoon maakten schoon schoonmaken schoonmaakten
imperative sing. maak schoon
imperative plur.1 maakt schoon
participles schoonmakend schoongemaakt
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit