verdedigen

DutchEdit

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch verdegedingen. Cognate with German verteidigen. This etymology is incomplete. You can help Wiktionary by elaborating on the origins of this term.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌvɛrˈdeː.də.ɣə(n)/, /ˌvərˈdeː.də.ɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ver‧de‧di‧gen
  • Rhymes: -eːdəɣən

VerbEdit

verdedigen

  1. (transitive) to defend

InflectionEdit

Inflection of verdedigen (weak, prefixed)
infinitive verdedigen
past singular verdedigde
past participle verdedigd
infinitive verdedigen
gerund verdedigen n
present tense past tense
1st person singular verdedig verdedigde
2nd person sing. (jij) verdedigt verdedigde
2nd person sing. (u) verdedigt verdedigde
2nd person sing. (gij) verdedigt verdedigde
3rd person singular verdedigt verdedigde
plural verdedigen verdedigden
subjunctive sing.1 verdedige verdedigde
subjunctive plur.1 verdedigen verdedigden
imperative sing. verdedig
imperative plur.1 verdedigt
participles verdedigend verdedigd
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: verdedig