Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch verdwinen, from ver- +‎ dwinen. The base verb derives from Old Dutch *dwīnan, from Proto-Germanic *dwīnaną.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈdʋɛi̯.nə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -ɛi̯nən

VerbEdit

verdwijnen

  1. disappear
  2. dwindle

InflectionEdit

Inflection of verdwijnen (strong class 1, prefixed)
infinitive verdwijnen
past singular verdween
past participle verdwenen
infinitive verdwijnen
gerund verdwijnen n
present tense past tense
1st person singular verdwijn verdween
2nd person sing. (jij) verdwijnt verdween
2nd person sing. (u) verdwijnt verdween
2nd person sing. (gij) verdwijnt verdweent
3rd person singular verdwijnt verdween
plural verdwijnen verdwenen
subjunctive sing.1 verdwijne verdwene
subjunctive plur.1 verdwijnen verdwenen
imperative sing. verdwijn
imperative plur.1 verdwijnt
participles verdwijnend verdwenen
1) Archaic.

Derived termsEdit