verhuizen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ huis +‎ -en

PronunciationEdit

VerbEdit

verhuizen ‎(past singular verhuisde, past participle verhuisd)

  1. to move from one residence to another

ConjugationEdit

Inflection of verhuizen (weak, prefixed)
infinitive verhuizen
past singular verhuisde
past participle verhuisd
infinitive verhuizen
gerund verhuizen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verhuis verhuisde
2nd person sing. (jij) verhuist verhuisde
2nd person sing. (u) verhuist verhuisde
2nd person sing. (gij) verhuist verhuisde
3rd person singular verhuist verhuisde
plural verhuizen verhuisden
subjunctive sing.1 verhuize verhuisde
subjunctive plur.1 verhuizen verhuisden
imperative sing. verhuis
imperative plur.1 verhuist
participles verhuizend verhuisd
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language