verloten

See also: verlöten

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ lot +‎ -en.

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -oːtən

VerbEdit

verloten

  1. to give as a prize in a lottery or in sweepstakes

InflectionEdit

Inflection of verloten (weak, prefixed)
infinitive verloten
past singular verlootte
past participle verloot
infinitive verloten
gerund verloten n
present tense past tense
1st person singular verloot verlootte
2nd person sing. (jij) verloot verlootte
2nd person sing. (u) verloot verlootte
2nd person sing. (gij) verloot verlootte
3rd person singular verloot verlootte
plural verloten verlootten
subjunctive sing.1 verlote verlootte
subjunctive plur.1 verloten verlootten
imperative sing. verloot
imperative plur.1 verloot
participles verlotend verloot
1) Archaic.