verslijten

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ slijten

PronunciationEdit

VerbEdit

verslijten ‎(past singular versleet, past participle versleten)

  1. to wear out, fray
  2. to take for
    Verslijt je mij voor een leugenaar?: You take me for a liar?

ConjugationEdit

Inflection of verslijten (strong class 1, prefixed)
infinitive verslijten
past singular versleet
past participle versleten
infinitive verslijten
gerund verslijten n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verslijt versleet
2nd person sing. (jij) verslijt versleet
2nd person sing. (u) verslijt versleet
2nd person sing. (gij) verslijt versleet
3rd person singular verslijt versleet
plural verslijten versleten
subjunctive sing.1 verslijte verslete
subjunctive plur.1 verslijten versleten
imperative sing. verslijt
imperative plur.1 verslijt
participles verslijtend versleten
1) Archaic.
Read in another language