Contents

DutchEdit

Etymology 1Edit

VerbEdit

verweren

  1. to defend
InflectionEdit
Inflection of verweren (weak, prefixed)
infinitive verweren
past singular verweerde
past participle verweerd
infinitive verweren
gerund verweren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verweer verweerde
2nd person sing. (jij) verweert verweerde
2nd person sing. (u) verweert verweerde
2nd person sing. (gij) verweert verweerde
3rd person singular verweert verweerde
plural verweren verweerden
subjunctive sing.1 verwere verweerde
subjunctive plur.1 verweren verweerden
imperative sing. verweer
imperative plur.1 verweert
participles verwerend verweerd
1) Archaic.
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

Cognate with English wither and German verwittern ‎(to be ruined by weather)

VerbEdit

verweren

  1. to erode due to weather conditions like rain, wind and frost
InflectionEdit
Inflection of verweren (weak, prefixed)
infinitive verweren
past singular verweerde
past participle verweerd
infinitive verweren
gerund verweren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verweer verweerde
2nd person sing. (jij) verweert verweerde
2nd person sing. (u) verweert verweerde
2nd person sing. (gij) verweert verweerde
3rd person singular verweert verweerde
plural verweren verweerden
subjunctive sing.1 verwere verweerde
subjunctive plur.1 verweren verweerden
imperative sing. verweer
imperative plur.1 verweert
participles verwerend verweerd
1) Archaic.
Related termsEdit
Read in another language