voorbereiden

DutchEdit

EtymologyEdit

voor- +‎ bereiden

PronunciationEdit

VerbEdit

voorbereiden ‎(past singular bereidde voor, past participle voorbereid)

  1. to prepare

ConjugationEdit

Inflection of voorbereiden (weak, separable)
infinitive voorbereiden
past singular bereidde voor
past participle voorgebereid
infinitive voorbereiden
gerund voorbereiden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bereid voor bereidde voor voorbereid voorbereidde
2nd person sing. (jij) bereidt voor bereidde voor voorbereidt voorbereidde
2nd person sing. (u) bereidt voor bereidde voor voorbereidt voorbereidde
2nd person sing. (gij) bereidt voor bereidde voor voorbereidt voorbereidde
3rd person singular bereidt voor bereidde voor voorbereidt voorbereidde
plural bereiden voor bereidden voor voorbereiden voorbereidden
subjunctive sing.1 bereide voor bereidde voor voorbereide voorbereidde
subjunctive plur.1 bereiden voor bereidden voor voorbereiden voorbereidden
imperative sing. bereid voor
imperative plur.1 bereidt voor
participles voorbereidend voorgebereid
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language