Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch swac, from Old Dutch *swak, from Proto-Germanic *swakaz.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /zʋɑk/
  • (file)
  • Hyphenation: zwak
  • Rhymes: -ɑk

AdjectiveEdit

zwak (comparative zwakker, superlative zwakst)

  1. weak
    Antonyms: sterk, krachtig
  2. shabby

InflectionEdit

Inflection of zwak
uninflected zwak
inflected zwakke
comparative zwakker
positive comparative superlative
predicative/adverbial zwak zwakker het zwakst
het zwakste
indefinite m./f. sing. zwakke zwakkere zwakste
n. sing. zwak zwakker zwakste
plural zwakke zwakkere zwakste
definite zwakke zwakkere zwakste
partitive zwaks zwakkers

Derived termsEdit

DescendantsEdit

NounEdit

zwak n (uncountable)

  1. soft spot
  2. weakness