Dutch

edit

Etymology

edit

From af +‎ rijden.

Pronunciation

edit
  • IPA(key): /ˈɑfˌrɛi̯.də(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: af‧rij‧den

Verb

edit

afrijden

  1. (transitive) to drive off of
    Hij reed zomaar de weg af!
    He just drove off of the road!
  2. (transitive) to drive the whole length of
    Hij heeft het circuit afgereden in 50 seconden.
    He finished the course in 50 seconds.
  3. (intransitive) to take a driving test, in order to obtain a driver's licence
  4. (transitive) to remove by driving

Conjugation

edit
Conjugation of afrijden (strong class 1, separable)
infinitive afrijden
past singular reed af
past participle afgereden
infinitive afrijden
gerund afrijden n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular rijd af reed af afrijd afreed
2nd person sing. (jij) rijdt af, rijd af2 reed af afrijdt afreed
2nd person sing. (u) rijdt af reed af afrijdt afreed
2nd person sing. (gij) rijdt af reedt af afrijdt afreedt
3rd person singular rijdt af reed af afrijdt afreed
plural rijden af reden af afrijden afreden
subjunctive sing.1 rijde af rede af afrijde afrede
subjunctive plur.1 rijden af reden af afrijden afreden
imperative sing. rijd af
imperative plur.1 rijdt af
participles afrijdend afgereden
1) Archaic. 2) In case of inversion.

Derived terms

edit