ambiëren

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

ambiëren ‎(past singular ambieerde, past participle geambieerd)

  1. to aspire to

ConjugationEdit

Inflection of ambiëren (weak)
infinitive ambiëren
past singular ambieerde
past participle geambieerd
infinitive ambiëren
gerund ambiëren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ambieer ambieerde
2nd person sing. (jij) ambieert ambieerde
2nd person sing. (u) ambieert ambieerde
2nd person sing. (gij) ambieert ambieerde
3rd person singular ambieert ambieerde
plural ambiëren ambieerden
subjunctive sing.1 ambiëre ambieerde
subjunctive plur.1 ambiëren ambieerden
imperative sing. ambieer
imperative plur.1 ambieert
participles ambiërend geambieerd
1) Archaic.
Read in another language