begroeien

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From be- +‎ groeien.

PronunciationEdit

VerbEdit

begroeien ‎(past singular begroeide, past participle begroeid)

  1. to overgrow (e.g. with vegetation)

ConjugationEdit

Inflection of begroeien (weak, prefixed)
infinitive begroeien
past singular begroeide
past participle begroeid
infinitive begroeien
gerund begroeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular begroei begroeide
2nd person sing. (jij) begroeit begroeide
2nd person sing. (u) begroeit begroeide
2nd person sing. (gij) begroeit begroeide
3rd person singular begroeit begroeide
plural begroeien begroeiden
subjunctive sing.1 begroeie begroeide
subjunctive plur.1 begroeien begroeiden
imperative sing. begroei
imperative plur.1 begroeit
participles begroeiend begroeid
1) Archaic.
Read in another language