Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch groeyen, from Old Dutch gruoien, from Proto-Germanic *grōaną, from Proto-Indo-European *gʰreh₁- (to grow, become green).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈɣrui̯ə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -ui̯ən

VerbEdit

groeien

  1. (intransitive) to grow

InflectionEdit

Inflection of groeien (weak)
infinitive groeien
past singular groeide
past participle gegroeid
infinitive groeien
gerund groeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular groei groeide
2nd person sing. (jij) groeit groeide
2nd person sing. (u) groeit groeide
2nd person sing. (gij) groeit groeide
3rd person singular groeit groeide
plural groeien groeiden
subjunctive sing.1 groeie groeide
subjunctive plur.1 groeien groeiden
imperative sing. groei
imperative plur.1 groeit
participles groeiend gegroeid
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit