groeien

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch groeyen, from Old Dutch *gruoien, from Proto-Germanic *grōaną, from Proto-Indo-European *gʰreH₁- ‎(to grow, become green). Cognate with English grow.[1], West Frisian groeie, Danish gro.

PronunciationEdit

VerbEdit

groeien ‎(past singular groeide, past participle gegroeid)

  1. to grow

ConjugationEdit

Inflection of groeien (weak)
infinitive groeien
past singular groeide
past participle gegroeid
infinitive groeien
gerund groeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular groei groeide
2nd person sing. (jij) groeit groeide
2nd person sing. (u) groeit groeide
2nd person sing. (gij) groeit groeide
3rd person singular groeit groeide
plural groeien groeiden
subjunctive sing.1 groeie groeide
subjunctive plur.1 groeien groeiden
imperative sing. groei
imperative plur.1 groeit
participles groeiend gegroeid
1) Archaic.

Derived termsEdit

ReferencesEdit

  1. ^ de Vries / de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Utrecht 1986 (14de druk), ISBN 90-274-3459-X; article groeien
Read in another language