bestrijden

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

be- +‎ strijden

PronunciationEdit

VerbEdit

bestrijden ‎(past singular bestreed, past participle bestreden)

  1. to protest
  2. to suppress

ConjugationEdit

Inflection of bestrijden (strong class 1, prefixed)
infinitive bestrijden
past singular bestreed
past participle bestreden
infinitive bestrijden
gerund bestrijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bestrijd bestreed
2nd person sing. (jij) bestrijdt bestreed
2nd person sing. (u) bestrijdt bestreed
2nd person sing. (gij) bestrijdt bestreedt
3rd person singular bestrijdt bestreed
plural bestrijden bestreden
subjunctive sing.1 bestrijde bestrede
subjunctive plur.1 bestrijden bestreden
imperative sing. bestrijd
imperative plur.1 bestrijdt
participles bestrijdend bestreden
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language