bijzetten

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

bijzetten ‎(past singular zette bij, past participle bijgezet)

  1. to add, set beside something else

Usage notesEdit

  • This verb is especially used to mean adding a body to a cemetery.

ConjugationEdit

Inflection of bijzetten (weak, separable)
infinitive bijzetten
past singular zette bij
past participle bijgezet
infinitive bijzetten
gerund bijzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet bij zette bij bijzet bijzette
2nd person sing. (jij) zet bij zette bij bijzet bijzette
2nd person sing. (u) zet bij zette bij bijzet bijzette
2nd person sing. (gij) zet bij zette bij bijzet bijzette
3rd person singular zet bij zette bij bijzet bijzette
plural zetten bij zetten bij bijzetten bijzetten
subjunctive sing.1 zette bij zette bij bijzette bijzette
subjunctive plur.1 zetten bij zetten bij bijzetten bijzetten
imperative sing. zet bij
imperative plur.1 zet bij
participles bijzettend bijgezet
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language