Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch geburen, from Old Dutch geburien ‎(to happen, occur), from Proto-Germanic *gaburjaną. Equivalent to ge- +‎ beuren.

VerbEdit

gebeuren

  1. (intransitive) to happen
InflectionEdit
Inflection of gebeuren (weak, prefixed)
infinitive gebeuren
past singular gebeurde
past participle gebeurd
infinitive gebeuren
gerund gebeuren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gebeur gebeurde
2nd person sing. (jij) gebeurt gebeurde
2nd person sing. (u) gebeurt gebeurde
2nd person sing. (gij) gebeurt gebeurde
3rd person singular gebeurt gebeurde
plural gebeuren gebeurden
subjunctive sing.1 gebeure gebeurde
subjunctive plur.1 gebeuren gebeurden
imperative sing. gebeur
imperative plur.1 gebeurt
participles gebeurend gebeurd
1) Archaic.
Derived termsEdit
Related termsEdit

Etymology 2Edit

Gerund of the verb gebeuren.

NounEdit

gebeuren n ‎(uncountable)

  1. Something which is happening or which happened; event
Read in another language