kakken

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch cacken, probably from Latin cacō ‎(to defecate, soil), either way presumably ultimately sound imitative.

PronunciationEdit

VerbEdit

kakken ‎(past singular kakte, past participle gekakt)

  1. (intransitive) To defecate
  2. (transitive) To (secrete) shit (notably solids)
  3. (intransitive) To trot slowly, lustlessly

ConjugationEdit

Inflection of kakken (weak)
infinitive kakken
past singular kakte
past participle gekakt
infinitive kakken
gerund kakken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular kak kakte
2nd person sing. (jij) kakt kakte
2nd person sing. (u) kakt kakte
2nd person sing. (gij) kakt kakte
3rd person singular kakt kakte
plural kakken kakten
subjunctive sing.1 kakke kakte
subjunctive plur.1 kakken kakten
imperative sing. kak
imperative plur.1 kakt
participles kakkend gekakt
1) Archaic.

Related termsEdit

kakkenestje? (zie KAKKENEST).

  • in de kindertaal, of in de taal van de kinderkamer, gevoegd voor den naam van een persoon op wien men boos is: ”vieze, stoute.” Verg. kakke-Nentje en kakketaat (taat bet. vader), in de volgende voorbeelden.

Laet mense (de kinderen) staen krijten, soo hebme 't Wijf weer ant temen, Siet dien Bul, hy en vermach sijn eygen Kyeren niet, En lierender van joncx op kacketaet, bildt jou taet, en sulck onthiet, FRANSSOON, G. Wouters 17 [1623].

Read in another language