kietelen

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

kietelen ‎(past singular kietelde, past participle gekieteld)

  1. to tickle

ConjugationEdit

Inflection of kietelen (weak)
infinitive kietelen
past singular kietelde
past participle gekieteld
infinitive kietelen
gerund kietelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular kietel kietelde
2nd person sing. (jij) kietelt kietelde
2nd person sing. (u) kietelt kietelde
2nd person sing. (gij) kietelt kietelde
3rd person singular kietelt kietelde
plural kietelen kietelden
subjunctive sing.1 kietele kietelde
subjunctive plur.1 kietelen kietelden
imperative sing. kietel
imperative plur.1 kietelt
participles kietelend gekieteld
1) Archaic.
Read in another language