ontbreken

DutchEdit

EtymologyEdit

ont- +‎ breken

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈbreː.kə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ont‧bre‧ken
  • Rhymes: -eːkən

VerbEdit

ontbreken

  1. to be missing

InflectionEdit

Inflection of ontbreken (strong class 4, prefixed)
infinitive ontbreken
past singular ontbrak
past participle ontbroken
infinitive ontbreken
gerund ontbreken n
present tense past tense
1st person singular ontbreek ontbrak
2nd person sing. (jij) ontbreekt ontbrak
2nd person sing. (u) ontbreekt ontbrak
2nd person sing. (gij) ontbreekt ontbraakt
3rd person singular ontbreekt ontbrak
plural ontbreken ontbraken
subjunctive sing.1 ontbreke ontbrake
subjunctive plur.1 ontbreken ontbraken
imperative sing. ontbreek
imperative plur.1 ontbreekt
participles ontbrekend ontbroken
1) Archaic.

NounEdit

ontbreken n (uncountable)

  1. absence, lack