ontlenen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ont- +‎ lenen

PronunciationEdit

VerbEdit

ontlenen ‎(past singular ontleende, past participle ontleend)

  1. to borrow, to derive
    Het woord 'alfabet' is ontleend aan alpha (α) en beta (β), de eerste twee letters van het Griekse alfabet. — The word 'alphabet' is derived from alpha (α) and beta (β), the first two letters of the Greek alphabet.

ConjugationEdit

Inflection of ontlenen (weak, prefixed)
infinitive ontlenen
past singular ontleende
past participle ontleend
infinitive ontlenen
gerund ontlenen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontleen ontleende
2nd person sing. (jij) ontleent ontleende
2nd person sing. (u) ontleent ontleende
2nd person sing. (gij) ontleent ontleende
3rd person singular ontleent ontleende
plural ontlenen ontleenden
subjunctive sing.1 ontlene ontleende
subjunctive plur.1 ontlenen ontleenden
imperative sing. ontleen
imperative plur.1 ontleent
participles ontlenend ontleend
1) Archaic.

Related termsEdit

Read in another language