afleiden

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

af + leiden

PronunciationEdit

VerbEdit

afleiden ‎(past singular leidde af, past participle afgeleid)

  1. to infer, deduce
  2. (also grammar) to derive
    • 1831, Fk. Hk. Lk. Donckermann, Latijnsche grammatica of spraakkunst voor eerstbeginnende. Vierde druk, p.6:
      Deze onderscheidene woorden zijn
      1) of stamwoorden ( Primitiva ) die van geen ander woord afkomen, gelijk: pater vader, bonus goed; of afgeleide woorden ( derivata ), die van een ander woord afstammen, gelijk: paternus vaderlijk, bonitas goedheid.
      2) of eenvoudige woorden ( simplicia ), die uit een enkel woord bestaan, gelijk: discipulus een leerling, doctus geleerd; of zamengestelde woorden ( Composita ), die uit twee woorden zamengesteld zijn, gelijk: condiscipulus een medeleerling, indoctus ongeleerd.
  3. to distract

ConjugationEdit

Inflection of afleiden (weak, separable)
infinitive afleiden
past singular leidde af
past participle afgeleid
infinitive afleiden
gerund afleiden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leid af leidde af afleid afleidde
2nd person sing. (jij) leidt af leidde af afleidt afleidde
2nd person sing. (u) leidt af leidde af afleidt afleidde
2nd person sing. (gij) leidt af leidde af afleidt afleidde
3rd person singular leidt af leidde af afleidt afleidde
plural leiden af leidden af afleiden afleidden
subjunctive sing.1 leide af leidde af afleide afleidde
subjunctive plur.1 leiden af leidden af afleiden afleidden
imperative sing. leid af
imperative plur.1 leidt af
participles afleidend afgeleid
1) Archaic.

Related termsEdit

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language