Open main menu

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

ontwijken

  1. dodge, avoid

InflectionEdit

Inflection of ontwijken (strong class 1, prefixed)
infinitive ontwijken
past singular ontweek
past participle ontweken
infinitive ontwijken
gerund ontwijken n
present tense past tense
1st person singular ontwijk ontweek
2nd person sing. (jij) ontwijkt ontweek
2nd person sing. (u) ontwijkt ontweek
2nd person sing. (gij) ontwijkt ontweekt
3rd person singular ontwijkt ontweek
plural ontwijken ontweken
subjunctive sing.1 ontwijke ontweke
subjunctive plur.1 ontwijken ontweken
imperative sing. ontwijk
imperative plur.1 ontwijkt
participles ontwijkend ontweken
1) Archaic.