ruïneren

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌryiˈnerə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ruï‧ne‧ren
  • Hyphenation: ru‧ine‧ren

VerbEdit

ruïneren ‎(past singular ruïneerde, past participle geruïneerd)

  1. To ruin, destroy
  2. To ruin financially

ConjugationEdit

Inflection of ruïneren (weak)
infinitive ruïneren
past singular ruïneerde
past participle geruïneerd
infinitive ruïneren
gerund ruïneren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ruïneer ruïneerde
2nd person sing. (jij) ruïneert ruïneerde
2nd person sing. (u) ruïneert ruïneerde
2nd person sing. (gij) ruïneert ruïneerde
3rd person singular ruïneert ruïneerde
plural ruïneren ruïneerden
subjunctive sing.1 ruïnere ruïneerde
subjunctive plur.1 ruïneren ruïneerden
imperative sing. ruïneer
imperative plur.1 ruïneert
participles ruïnerend geruïneerd
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language