stilstaan

DutchEdit

EtymologyEdit

From stil +‎ staan.

PronunciationEdit

VerbEdit

stilstaan ‎(past singular stond stil, past participle stilgestaan)

  1. to stand still, to come to rest, stagnate
  2. (~ bij) to realise, to pay attention to
    Daar heb ik niet bij stilgestaan.: I did not pay attention to that.

ConjugationEdit

Inflection of stilstaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive stilstaan
past singular stond stil
past participle stilgestaan
infinitive stilstaan
gerund stilstaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sta stil stond stil stilsta stilstond
2nd person sing. (jij) staat stil stond stil stilstaat stilstond
2nd person sing. (u) staat stil stond stil stilstaat stilstond
2nd person sing. (gij) staat stil stondt stil stilstaat stilstondt
3rd person singular staat stil stond stil stilstaat stilstond
plural staan stil stonden stil stilstaan stilstonden
subjunctive sing.1 sta stil stonde stil stilsta stilstonde
subjunctive plur.1 staan stil stonden stil stilstaan stilstonden
imperative sing. sta stil
imperative plur.1 staat stil
participles stilstaand stilgestaan
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language