stimuleren

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

stimuleren ‎(past singular stimuleerde, past participle gestimuleerd)

  1. to stimulate

ConjugationEdit

Inflection of stimuleren (weak)
infinitive stimuleren
past singular stimuleerde
past participle gestimuleerd
infinitive stimuleren
gerund stimuleren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular stimuleer stimuleerde
2nd person sing. (jij) stimuleert stimuleerde
2nd person sing. (u) stimuleert stimuleerde
2nd person sing. (gij) stimuleert stimuleerde
3rd person singular stimuleert stimuleerde
plural stimuleren stimuleerden
subjunctive sing.1 stimulere stimuleerde
subjunctive plur.1 stimuleren stimuleerden
imperative sing. stimuleer
imperative plur.1 stimuleert
participles stimulerend gestimuleerd
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language