verdelen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ delen

PronunciationEdit

VerbEdit

verdelen ‎(past singular verdeelde, past participle verdeeld)

  1. to divide
  2. to distribute

ConjugationEdit

Inflection of verdelen (weak, prefixed)
infinitive verdelen
past singular verdeelde
past participle verdeeld
infinitive verdelen
gerund verdelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verdeel verdeelde
2nd person sing. (jij) verdeelt verdeelde
2nd person sing. (u) verdeelt verdeelde
2nd person sing. (gij) verdeelt verdeelde
3rd person singular verdeelt verdeelde
plural verdelen verdeelden
subjunctive sing.1 verdele verdeelde
subjunctive plur.1 verdelen verdeelden
imperative sing. verdeel
imperative plur.1 verdeelt
participles verdelend verdeeld
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language