verdraaien

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ draaien.

Cognate to English forthrow.

PronunciationEdit

VerbEdit

verdraaien ‎(past singular verdraaide, past participle verdraaid)

  1. to twist, to contort
  2. to twist, distort (the truth, one's words etc.)

ConjugationEdit

Inflection of verdraaien (weak, prefixed)
infinitive verdraaien
past singular verdraaide
past participle verdraaid
infinitive verdraaien
gerund verdraaien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verdraai verdraaide
2nd person sing. (jij) verdraait verdraaide
2nd person sing. (u) verdraait verdraaide
2nd person sing. (gij) verdraait verdraaide
3rd person singular verdraait verdraaide
plural verdraaien verdraaiden
subjunctive sing.1 verdraaie verdraaide
subjunctive plur.1 verdraaien verdraaiden
imperative sing. verdraai
imperative plur.1 verdraait
participles verdraaiend verdraaid
1) Archaic.

SynonymsEdit

Read in another language