verschrikken

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ schrikken.

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -ɪkən

VerbEdit

verschrikken

  1. to frighten, startle (weak inflection; strong inflection proscribed)
  2. to be frightened, to be startled (strong inflection)

InflectionEdit

Inflection of verschrikken (weak, prefixed)
infinitive verschrikken
past singular verschrikte
past participle verschrikt
infinitive verschrikken
gerund verschrikken n
present tense past tense
1st person singular verschrik verschrikte
2nd person sing. (jij) verschrikt verschrikte
2nd person sing. (u) verschrikt verschrikte
2nd person sing. (gij) verschrikt verschrikte
3rd person singular verschrikt verschrikte
plural verschrikken verschrikten
subjunctive sing.1 verschrikke verschrikte
subjunctive plur.1 verschrikken verschrikten
imperative sing. verschrik
imperative plur.1 verschrikt
participles verschrikkend verschrikt
1) Archaic.


Inflection of verschrikken (strong class 3a, prefixed)
infinitive verschrikken
past singular verschrok
past participle verschrokken
infinitive verschrikken
gerund verschrikken n
present tense past tense
1st person singular verschrik verschrok
2nd person sing. (jij) verschrikt verschrok
2nd person sing. (u) verschrikt verschrok
2nd person sing. (gij) verschrikt verschrokt
3rd person singular verschrikt verschrok
plural verschrikken verschrokn
subjunctive sing.1 verschrikke verschrok
subjunctive plur.1 verschrikken verschrokn
imperative sing. verschrik
imperative plur.1 verschrikt
participles verschrikkend verschrokken
1) Archaic.

DescendantsEdit

  • Negerhollands: verskrek, verskrik

Related termsEdit