Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

verstijven

  1. to stiffen, to become stiff, to freeze
    Haar keel was, net als haar hele lijf, verstijfd van schrik.
    Her throat was, just like her whole body, frozen with fear.

InflectionEdit

Inflection of verstijven (weak, prefixed)
infinitive verstijven
past singular verstijfde
past participle verstijfd
infinitive verstijven
gerund verstijven n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verstijf verstijfde
2nd person sing. (jij) verstijft verstijfde
2nd person sing. (u) verstijft verstijfde
2nd person sing. (gij) verstijft verstijfde
3rd person singular verstijft verstijfde
plural verstijven verstijfden
subjunctive sing.1 verstijve verstijfde
subjunctive plur.1 verstijven verstijfden
imperative sing. verstijf
imperative plur.1 verstijft
participles verstijvend verstijfd
1) Archaic.