verwijzen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ wijzen

PronunciationEdit

VerbEdit

verwijzen ‎(past singular verwees, past participle verwezen)

  1. to refer (to)

ConjugationEdit

Inflection of verwijzen (strong class 1, prefixed)
infinitive verwijzen
past singular verwees
past participle verwezen
infinitive verwijzen
gerund verwijzen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verwijs verwees
2nd person sing. (jij) verwijst verwees
2nd person sing. (u) verwijst verwees
2nd person sing. (gij) verwijst verweest
3rd person singular verwijst verwees
plural verwijzen verwezen
subjunctive sing.1 verwijze verweze
subjunctive plur.1 verwijzen verwezen
imperative sing. verwijs
imperative plur.1 verwijst
participles verwijzend verwezen
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language