voorgaan

AfrikaansEdit

EtymologyEdit

From Dutch voorgaan.

VerbEdit

voorgaan ‎(present gaan voor, present participle voorgaande, past participle voorgegaan)

  1. to lead

DutchEdit

EtymologyEdit

From voor- +‎ gaan.

PronunciationEdit

VerbEdit

voorgaan ‎(past singular ging voor, past participle voorgegaan)

  1. to lead, precede

ConjugationEdit

Inflection of voorgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive voorgaan
past singular ging voor
past participle voorgegaan
infinitive voorgaan
gerund voorgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga voor ging voor voorga voorging
2nd person sing. (jij) gaat voor ging voor voorgaat voorging
2nd person sing. (u) gaat voor ging voor voorgaat voorging
2nd person sing. (gij) gaat voor gingt voor voorgaat voorgingt
3rd person singular gaat voor ging voor voorgaat voorging
plural gaan voor gingen voor voorgaan voorgingen
subjunctive sing.1 ga voor ginge voor voorga voorginge
subjunctive plur.1 gaan voor gingen voor voorgaan voorgingen
imperative sing. ga voor
imperative plur.1 gaat voor
participles voorgaand voorgegaan
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language