aanbidden

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

aanbidden ‎(past singular aanbad, past participle aanbeden)

  1. to worship, to adore

ConjugationEdit

Inflection of aanbidden (strong class 5, prefixed)
infinitive aanbidden
past singular aanbad
past participle aanbeden
infinitive aanbidden
gerund aanbidden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular aanbid aanbad
2nd person sing. (jij) aanbidt aanbad
2nd person sing. (u) aanbidt aanbad
2nd person sing. (gij) aanbidt aanbaadt
3rd person singular aanbidt aanbad
plural aanbidden aanbaden
subjunctive sing.1 aanbidde aanbade
subjunctive plur.1 aanbidden aanbaden
imperative sing. aanbid
imperative plur.1 aanbidt
participles aanbiddend aanbeden
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language